Innovatie en investeren in nieuwe technologie een must voor finance


Het certificaat voor de ‘future proof’ finance functie wordt beoordeeld door een onafhankelijk Comité van het ‘future proof’ certificaat. Voorzitter Philip Joos, professor of Accounting aan Tilburg University en TIAS School for Business and Society, schetst de sterkte van het certificaat en zijn toekomstvisie op de finance functie.


Met precies tien zijn ze, de leden van het Comité voor de ‘future proof’ finance functie. Het zijn zij die na het Finance Assessment een blik werpen op de huidige toestand van de finance-organisatie en beoordelen of de uitreiking van het certificaat gegrond is. “Het hoeft niet gezegd dat bedrijven dit certificaat écht zullen kunnen benutten”, vertelt Philip Joos. “Enerzijds zal het hen een duidelijk beeld geven van waar de finance functie staat vandaag, anderzijds zal het handvaten aanreiken waar die kan verbeteren en groeien. En wat nog: het zal vooral een grote toegevoegde waarde zijn bij het aantrekken van talentvolle finance-profielen. Dat laatste bleek andermaal uit onze laatste overlegsessie. Als bedrijf kunnen stellen een future proof finance functie te hebben, en het bewijzen met dit certificaat, zal dit één van de belangrijke voordelen worden in het rekruteringsproces. Het kunnen prikkelen van jongere mensen om te kiezen voor jouw bedrijf is vandaag immers allesbehalve eenvoudig. Het certificaat kan een groot voordeel zijn in de war for talent.”


Waken over authenticiteit


Philip Joos zou geen voorzitter zijn geworden van dit panel als hij niet zou geloven in de waarde van het certificaat natuurlijk. Hoewel hij niet rechtstreeks betrokken was bij het opstellen ervan – zijn collega-professor Bart Dierynck wel – waakt hij ook mee over de authenticiteit van het certificaat. “We moeten het in de eerste plaats doen voor de finance departementen die het écht nodig hebben. We willen niet naar bedrijven gaan die al in financiële moeilijkheden zitten. Meestal falen bedrijven door niet in te zien dat er iets verkeerd loopt of is. Van zodra ze dat echt inzien, is het vaak al te laat. Het is dus een doel om de juiste bedrijven te bereiken.” Dat falen omschrijft Joos in het niet kunnen omgaan met innovatie. “Dat maakt ook de COVID-crisis zeer duidelijk. Bedrijven die niet geïnvesteerd hebben in tal van digitale technologieën, geen internetpoot hebben, niet nadenken over toekomstige voordelen, … die falen veel makkelijker en sneller dan andere. Net daar zit een belangrijk financieel aspect in. Het is essentieel dat er vanuit de financiële functie wordt nagedacht over het belang van innovatie en investeren in nieuwe technologie. Op die manier denkt het mee in het strategisch proces van de onderneming. Op lange termijn is dat trouwens een belangrijke oorzaak van de doodsteek van bedrijven.”


Innovaties volgen elkaar sneller op


Innovatie moet dus bovenaan de takenlijst van de finance functie staan. “Het grote verschil met begin jaren ’90 is dat innovatie veel sneller gaat. In mijn beginjaren waren er ophefmakende falingen en we vormden daar allemaal onze ideeën over. Nu gaat het zoveel sneller. En de ‘crisissen’ zullen zich waarschijnlijk ook sneller opvolgen. Econoom Joseph Schumpeter had het in 1942 al over het fenomeen Creative Destruction, waar uit de levenscyclus van bedrijven bleek dat innovatieve bedrijven het altijd overnemen van oudere niet-innovatieve bedrijven. Die cyclus versnelt nu ook. Dat zien we ook als consument al als je kijkt naar het verschil in innovatie bij de verschillende grootwarenhuizen of banken. Daar zie je enorm grote verschillen in digitaliseringstrends. Sommige bedrijven zijn erg geavanceerd, andere bedrijven blijven traditioneler… En de snelheid waarmee deze uit de markt gaan is veel groter dan vroeger. Net daarom is het zo belangrijk om vanuit de finance functie te letten op de juiste signalen en knipperlichten te hebben, en wendbaar te kunnen adapteren. Het assessment zal naar veel van die kenmerken toetsen en uiteindelijk ook bekijken hoe wendbaar de organisatie is.”


Non-financial literacy


Het kunnen initiëren van innovatie betekent dat de finance functie de taal van de business moet spreken. “Als finance functie moet je strategisch kunnen meedenken over innovaties en maatschappelijke uitdagingen en finaal de vertaling naar het financiële kunnen doen. En dat gaat breder dan je denkt. Bijvoorbeeld materniteitsverlof. Een pure financial rekent meteen: dat kost geld. Moeten we dit wel doen? De financial heeft die directe reflex, maar moet ook kunnen uitrekenen wat de consequenties zijn op lange termijn mocht je dit beperken. Het moet met HR nagaan wat de gevolgen zijn in de toekomst als we geen materniteitsverlof zouden toestaan, en dit in relatie brengen met de war for talent. Finance people hebben te vaak de neiging om terug te vallen op de directe financiële consequentie die ze kunnen berekenen, omdat dit het meest zekere is. Er zijn doorheen de organisatie dus tal van lijnen waarmee finance in verbinding moet staan. Het is een grote uitdaging voor het finance departement om de andere departement goed te verstaan. Er zou een soort van non-financial literacy moeten zijn om te verstaan als financial wat er nu allemaal op bedrijven afkomt. Hierdoor kunnen ze begrijpen dat er veel meer integratie nodig is in een bedrijf, en duidelijk niet-financiële aspecten moet kennen. Om de ecologische voetafdruk te verminderen moeten financials controles en targets instellen. Dan moeten ze om dit te monitoren op zijn minst verstaan hoe CO2-emissie gecapteerd moet worden en hoe je dit in een spreadsheet of waar dan ook verwerkt… Dat zijn niet-financiële cijfers die zich vertalen in financiële gevolgen.”


“Als we kijken naar de langetermijnevolutie van bedrijven zien we dat waardecreatie vandaag veel meer wordt gelinkt aan intangible assets. Uiteraard biedt dit minder zekerheid en het is een uitdaging om dit te doen. Kiezen we voor zekere opbrengst, of voor een proces dat misschien meer oplevert in de toekomst en nu minder zekerheid brengt? Het is een mindset. Te vaak hebben financials de conservatieve neiging om toch de zaken bij het oude, tradionele te brengen. De minder onzekere investeringen opzoeken. En die zorgen voor meer falingen.”


Certificaat is een moving target


Net als de finance functie, de globale organisatie en de wereld rondom ons zal ook het certificaat een voortdurend bewegend object zijn. Hoe kijkt Joos naar de moduleerbaarheid van het certificaat? “Het is inderdaad een moving target. Het toont veel gelijkenissen met de scores van ESG. De manieren van berekenen zijn vandaag al anders dan vorig jaar. De criteria worden immers continu uitgebreid. Ook het certificaat is opgesteld uit criteria die we gaan toepassen. Enerzijds volgen we zelf de trends op de voet en anderzijds zullen na verloop van tijd bedrijven ons ook aantonen dat ze al verder nadenken over bepaalde zaken waarbij ons buikgevoel zegt: dit zit goed maar steekt nog niet in één van de criteria. Dat is met falingspredictiemodellen net hetzelfde. We hadden een set met 10 criteria en we pasten daar wegingen op toe en kregen een score. Daar kan je meningen mee vormen: goed, slecht, of ruim in de gevarenzone. Dat is met dit certificaat ook zo. Niet alleen gaan we de criteria moeten toepassen maar ook de wegingen bekijken van de criteria die we gebruiken. Voor bepaalde bedrijven zal de weging van een bepaald criterium meer gaan doorwegen dan voor een ander. Dat heeft te maken met de sector waarin het vertoeft, de levenscyclus, grootte van het bedrijf, … Daar zetten we als comité heel hard op in en ik hoop natuurlijk dat hieruit de discussie ontstaat. Zodat we elkaar kunnen challengen. De benchmarking is belangrijk want het resultaat is 0 of 1. We gaan heel duidelijk moeten maken wat de wegingen zijn en welke criteria relevant zijn voor het bedrijf. En na twee jaar overwegen we een herijking van het certificaat. Als blijkt dat bijvoorbeeld de toepassing van blockchains erg belangrijk wordt, en we zien dit ook opkomen bij bedrijven die succesvol zijn, dan zal het een criterium worden.”


Finance functie heeft invloed op academische functie


De persoonlijke uitdaging voor Joos in het certificaat zit in de maatschappelijke link hebben als academicus. “We zitten bij de top van Europa qua onderzoek maar we beseffen dat we meer stappen moeten zetten om de voeling met wat er speelt in de samenleving te kennen. Het is evident dat we nagaan wat er in bedrijven leeft en waar de discussie ligt, maar net door in discussie te gaan met elkaar en zaken die je hoort… Dat werkt enorm stimulerend. Universiteiten hebben de opdracht om de link met de maatschappij sterk te houden. Het is een drijfveer om als academicus zelf ‘future proof’ te zijn. De ontwikkeling van de finance functie heeft namelijk ook een invloed op de ontwikkeling van de academische functie. En zo kunnen wij ook de vertaalslag maken naar een breder publiek, en ons verantwoorden. We worden immers met belastinggeld betaald. Dan willen we dus ook zeer relevante zaken vertellen.”


BIO Philip Joos


Philip Joos is Professor of Accounting aan Tilburg University en TIAS School for Business and Society. De context van future proof finance functie is direct gelinkt aan zijn werk als onderzoeker. Zo kijkt hij niet puur naar de financiële regels maar ook naar de bredere context van finance.